Gert Eichenwald Joods jongetje na 70 jaar gevonden

Joods onderduikertje in Soerendonk na 70 jaar gevonden

In 2011 schreef ik het boek ‘Gebroken Vleugels’ Luchtoorlog boven de gemeente Cranendonck en Hamont-Achel 1940-1945. Bij het uitwerken van het hoofdstuk Pilotenhulp kwam ik in contact met Foppe de Lang uit Nuenen. Hij leverde me onder andere informatie over de pilotenhulp. In dat zelfde jaar schreef Jac. Biemans zijn bevindingen over de Maarheezer verzetsgroep “De Vrijbuiters”. Enige tijd geleden was er wederom contact met Foppe de Lang met de vraag of ik de familie Bloem uit Soerendonk kende. De familie zou gedurende de Tweede Wereld Oorlog joden onderdak verschaft hebben. Zo kwam ik na 70 jaar in contact met Gert, nu genaamd Gary, Eichenwald, 83 jaar en wonend in Boynton Beach, Florida. We kijken terug op zijn onderduikperiode in Soerendonk.  

Foto 1. Walter Thea and Gert Eichenwald

Gary Eichenwald met zijn ouders

 Joodse familie Eichenwald verhuist naar Eindhoven

Als inleiding het volgende. Na de vermeende benoeming van Adolf Hitler tot Rijks Kanselier op 30 januari 1933 gaat het met Duitsland maatschappelijk gezien bergaf en maken de Duitse Joden zich op voor een onzekere toekomst. De honger naar het nastreven van de idealen van Adolf Hilter en die van zijn partij, de NSDAP (Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij), was verre van gestild. De twee belangrijkste idealen in Hitler’s politiek waren, het verruimen van Duits grondgebied (Lebensraum) en de tweede de extreem-racistische nazi-ideologie. Hierin moest het Arisch (Duits) ras als ‘Übermenschen’ worden beschouwd. Dit leidde zoals bekend tot de systematische uitroeiing van miljoenen ‘Untermenschen’. Deze groep bestaande uit Joden, Slavische volken, Roma’s, Sinti’s en Gehandicapten stonden vanaf de opkomst van het NSDAP al onder grote druk. Het is dan ook eind dertigerjaren dat de vele joden een veilig heenkomen zochten en naar bijvoorbeeld Nederland vluchtten. Zo ook de Joodse familie Eichenwald. Zij verhuisden in 1933 net als ongeveer 4000 Joden vanuit hun woonplaats Benrath (Düsseldorf), Hauptstraße 46 naar Nederland en komen terecht in Eindhoven. Hier vestigen ze zich aan de Albert van Nassaustraat 18. Zij hebben allen de hoop, zoals de Nederlandse regering die zelf ook heeft, dat Nederland neutraal zal blijven. Zodoende hoopt men de oorlogsperikelen te kunnen ontlopen. Niets blijkt minder waar als op 10 mei 1940 Hitler’s troepen met de aanval met codenaam: ‘Fall Gelb’ Nederland, België en Luxemburg binnen vallen. Voor de Nederlandse bevolking en temeer voor haar Joodse vluchtelingen breekt een onzekere tijd aan.

De familie Eichenwald die in dit verhaal centraal staat woont dan al zeven jaar met zoon Gert  in Eindhoven. Gert is geboren op 2 juni 1930 en is ten tijde van het uitbreken van de oorlog dus tien jaar. Het gezin bestaat verder uit vader Walter Eichenwald, geboren op 3 december 1900 en moeder Thea Eichenwald-Heumann, geboren op 30 juli 1900. Vader Walter Eichenwald is handelaar (marskramer) en bezoekt met zijn koffers met handelswaar de dorpen in de omgeving van Eindhoven. Volgens geïnterviewde mensen uit Nuenen was hij een rustige en vriendelijke man.

Onderduiken in Soerendonk

Op 19 mei 1941 neemt de top van het Duitse Reischkommissariat (zijnde Seyss-Inquart en vier Genaralkommissare) de beslissing dat alle Joden in Nederland moeten verdwijnen. Nadat de Duitse bezetters in Nederland al beperkende maatregelen tegen Joden hadden ingevoerd, kwamen vanaf 1942 de eerste deportaties op gang.

In juli 1942 krijgen vele Joden een oproep om zich te melden voor een keuring in het doorgangskamp Westerbork. Voor de familie Eichenwald breekt er een onzekere tijd aan en men besluit onder te duiken. Vader Walter Eichenwald duikt samen met de oom van Gert,  Paul Blumenfeld, onder bij een gezin in Nuenen. Dit nadat hij zijn vrouw Thea en zoon Gert onder heeft gebracht bij een goed bevriende kennis namelijk de Familie Bloem in het Cranendoncks bos, perceel nr. 119 (nu Bospad 2 ) te Soerendonk. De familie Bloem woont daar in het Cranendonckse Bos met vader (Hendrik) en moeder (Lucia) en hun 9 kinderen.

De familie Bloem staat in dit verhaal niet echt centraal maar is wel de aanleiding tot het initiëren van dit en vele andere verhalen. De familie Bloem staat symbool voor hen die zich niet de les lieten lezen door de Duitsers. Ze zijn gelovig en hadden een nuchtere kijk op het leven. Een mooi slot van dit verhaal mag dan wel het resultaat zijn van innige waardering door de Joodse gemeenschap voor de hulp die de familie Bloem gaf, waarover later meer.

foto 9. Trouwfoto Gerrit Bloem en Marie Duisters met Gert rechts op stoel en Gaby en moeder links

Het gezin Bloem. Links op de stoel Gary en Rechts Gaby en zijn moeder.

Het gezin Bloem verhuist van het Gelderse dorpje Ruurlo medio 1921 naar de boerderij aan het Cranendonckse bos te Soerendonk. Het gezin Bloem bestaat uit vader Hendrik Willem Bloem, geboren op 28 februari 1880 in Batenburg (Gelderland) en zijn vrouw Lucia van Koolwijk, geboren op 7 april 1879 ook in Batenburg. Op de leeftijd van resp. 19 en 20 jaar treden zij op 29 mei 1899 in Batenburg in het huwelijk. Uit het huwelijk komen tien kinderen voort. Bij leven zal Gert Eichenwald er negen van hen ontmoeten in de twee en half jaar dat hij bij de familie Bloem is ondergedoken.

Onderduiken bij de familie Bloem

Gert vertelt dat nadat zijn moeder en hij waren opgevangen bij de familie Bloem werd ook zijn nichtje, de dochter van zijn oom Paul Blumenfeld, waarmee vader zat ondergedoken in Nuenen ondergebracht bij de familie Bloem. Zij, genaamd Gaby (Gabriele) Blumenfeld, verbleef soms ook in het huis van de oudste zoon van Bloem, Leo Bloem aan de Broekant te Budel. De tante van Gert, Helena Blumenfeld-Heumann, vrouw van Paul Blumenfeld en moeder van Gaby dook onder in Amersfoort. Zo werd de familie van de ene op de andere dag uit elkaar gerukt en woonde ze, in de hoop niet ontdekt te worden, verspreid over het hele land in Nuenen, Soerendonk, Budel en Amersfoort.

Wij als onderduikers, vertelt Gert, zaten in een schuilhut in een bos achter de boerderij van de familie Bloem. Er waren zo’n elf kleine eilandjes van vijf tot zes meter met water ertussen. Gert vertelt dat ze gehuisvest waren in een hut van stro waar ze ’s nachts veel last van de ratten hadden. Zijn moeder had dan ook een stok naast het bed liggen om ze weg te jagen. In het bos stonden twee oude T- Fords. De ene werd gebruikt door ondergedoken piloten (waarover later meer) en in de andere speelde Gert. Als bewaking had de Fam. Bloem ganzen die als waakhonden dienden en aan je broekspijpen hingen als je langs hun heen wilde. Twee keer per dag vertelt Gert kwam meestal Hendrik of Cor ons eten brengen. Het eten zat dan in een emmer verstopt waarmee ze gingen melken.

Vertelling Wiel Peerlings (Soerendonk) uit boek Gebroken Vleugels: In deze boerderij zaten piloten, onderduikers en een aantal joden ondergedoken. Deze onderduikers hebben met de schop en kruiwagen een vijver uitgegraven van zo’n tachtig meter lang en tien meter breed. Het zand werd met de kruiwagen achter de bosrand gereden. Hier maakte men van de grond een zandberg. Onder deze zandberg zat een grote schuilkelder verborgen. In het bos bij de boerderij stonden twee cabines van T-Fords. Hier sliepen de joden in. In een van deze sloopauto’s werden ook illegaal varkens gemest. Die onderduikers moesten per slot van rekening ook eten. Na de oorlog kon je op de afgegraven vijver roeien. Door geallieerde jachtvliegtuigen waren namelijk grote benzinetanks afgeworpen. Door deze half door te zagen waren er bootjes van gemaakt. Daar  kon je tegen betaling mee roeien.  

Met Pasen of met de Kerstmis, vertelt Gert, aten we bij hoge uitzondering een ganzenei. Volgens Gert werd de Familie Bloem ook geholpen door veldwachters zo komen de namen van de Marechaussees Frans van Riel en ene Willem Vermaazen voor. Ook de naam Dick Albers wordt genoemd. Ook kwam er wel eens een non met zo’n kap op haar hoofd. Deze non, die tevens verpleegster was, moet naar alle waarschijnlijkheid Soeur Eugene Knippenberg, van de Goddelijke Voorzienigheid, zijn geweest. In een gesprek met Greet Albers-Dings, gehuwd met Dick Albers en gedurende de oorlog actief in het verzet vanuit hun postkantoor in Maarheeze, wordt verteld dat ze Gert en zijn moeder en Gaby wel eens gezien heeft bij de familie Bloem. Volgens Greet was de Bloem familie erg op ze gesteld. Na de oorlog heeft Greet echter niets meer van hen vernomen. Binnenkort zal er een brief met foto’s worden uitgewisseld.

Slechts één keer komt de vader van Gert per fiets vanuit Nuenen naar Soerendonk bij hen op bezoek. Dit is een gevaarlijke onderneming en de kans op ontdekking is groot. Vandaar dat het maar bij die ene keer blijft. Dit bezoek blijkt later de laatste keer te zijn dat Gert zijn vader zou zien.

Verraad en deportatie

Nog geen jaar na het onderduiken, slaat het noodlot toe. Gert zijn vader, Walter Eichenwald en oom Paul Blumenfeld, die ondergedoken zaten in Nuenen worden verraden en op woensdag 23 juni 1943 gearresteerd. Ze worden op transport gesteld en via Eindhoven naar kamp Westerbork gebracht. Voor aankomst worden ze op vrijdag 25 juni 1943 om 11.50 uur voormiddag nog ingesloten op het politiebureau in Zwolle. De volgende dag worden ze om 09.00 ’s morgens verder getransporteerd naar Westerbork. Drie dagen later op 29 juni 1943 gaan ze op transport naar Sobibor waar ze direct na binnenkomst op 2 juli 1943 samen met vele anderen worden vergast. Direct na de arrestatie van Walter en Paul kreeg de familie Bloem bezoek van de SD (Sicherheids Dienst) uit Eindhoven die naar Joden zochten. Toen ze vader Hendrik Bloem in hun auto wilden afvoeren, vertelde zoon Hein, dat de Joden er wel waren geweest, maar dat ze vertrokken waren op doortocht naar België. Wonder boven wonder werden ze geloofd en lieten ze vader Hendrik Bloem weer vrij.

Andere onderduikers bij de familie Bloem

Naast, ons vertelt Gert, zaten er ook andere onderduikers die korter of langer waren onder gedoken. Zo verbleef er voor een bepaalde tijd ook de Joodse Fam. de Vries, bestaande uit vader, moeder en zoon. Ze zaten verstopt in de woonkamer tot ze vertrokken.

Naast de joden, vertelt Gert, was er ook nog Jos Bots een twintigjarige student van de T.H Delft. Onderzoek wijst uit dat hij op dit moment nog woont in Valkenbug (L). Ook was er een  onderduiker die de Arbeitseinsatz wilde ontlopen. Hiervan zijn geen verdere gegevens bekend.

Gert herinnert zich ook dat er Engelse en Amerikaanse piloten ondergedoken zaten. Hij herinnert zich een Joodse bemanningslid uit Chicago en een Canadees, waar hij als jongen meespeelde. Voor zover bekend gaat het hier om een drietal piloten die samen vlogen en per toeval elkaar weer ontmoette,via de pilotenlijn in Soerendonk, op de boerderij van de familie Bloem. Deze drie vlogen met hun  Amerikaanse B-17 bommenwerper de ‘Spirit of 76’. Dit ‘Vliegend Fort’ kwam neer in het Starrenbos tussen Haelen en Heythuijsen (L). De drie bemanningsleden die bij de familie Bloem onderduiken waren: Elmer Gilcrease, Max Gottlieb en Francis Mc Dermott. Een andere piloot heet Allen Mac Intosh. Hij crasht met zijn Halifax van het 434ste Squadron nabij Monchengladbach. Hij wordt aanvankelijk gevangen genomen, weet te ontsnappen, en komt eveneens via het Maarheezer verzet bij de familie Bloem terecht. Een foto van hen voor de boerderij van de familie Bloem is gepubliceerd in de Aa-kroniek uitgave 2011 nr 3, blz. 202.

Eindelijk bevrijd

Gert vertelt dat we altijd op onze hoede waren en uiteindelijk werden we op 22 september 1944 bevrijd door de Engelsen. Iedereen was natuurlijk erg opgelucht en uitgelaten. Dat de nachtmerrie nog niet af gelopen was bleek toen we kort na de bevrijding het bericht kregen dat de moeder van mijn nichtje Gaby, die samen met ons bij de familie Bloem zat ondergedoken, op 8 oktober 1944 in haar onderduik adres te Amersfoort overleden was aan insuline gebrek. Het noorden van Nederland was nog niet bevrijd. Zij verloor dus haar vader en haar moeder in de oorlog.

Tot overmaat van ramp vertelt Gert brandde niet veel later, als gevolg van een luchtgevecht boven de boerderij van de familie Bloem, de boerderij van de familie Bloem geheel af. Als illustratie daarvan citeert de auteur tekst uit zijn boek ‘Gebroken Vleugels’: De Canadese Squadron Leader Mackie, die gelegerd was met 274 Squadron te Volkel, raakt op die bewuste dag, 24 december 1944, met zijn Typhoon Hawker Tempest om 13:00 uur betrokken in een luchtgevecht boven Soerendonk met een Focke-Wulf A-9. Het vliegtuig werd bemand door Lt. Gerhard Rieckhoff van het 1/JG-6. Deze Duitse piloot had eerder deze dag al twee Typhoons van 440 Squadron boven de Belgische Ardennen neergehaald. Beide geallieerde piloten kwamen bij deze incidenten om het leven.

Het luchtgevecht dat door vele inwoners van zowel Maarheeze en Soerendonk werd gezien is een merkwaardig schouwspel. Als ‘wespen’ vlogen ze om en over elkaar heen vertellen getuigen later. Het luchtgevecht eindigde in het neertuimelen van het Duitse vliegtuig. Dit doordat een van de vleugels half eraf is geschoten.

Foto 5 Tijdelijk graf Duitse vlieger

Veldgraf Lt. Gerhard Rieckhoff

 Het vliegtuig crashte op ‘De Kleine Bruggen’ in Soerendonk. De exacte locatie is gelegen in het weiland tussen de verbindingsweg Soerendonk-Maarheeze (De Kleine Bruggen) en de Kerkstraat. Hemels breed is dit zo’n 150 meter van de boerderij van de familie Bloem.

 Naar Amerika

De familie Eichenwald verzamelde zich na dit voorval met hun schamele bezittingen in Soest. Mijn oom Ernst Eichenwald ontfermde zich daar over ons. In Soest volgt Gert van mei 1945 tot 1947 de Christelijke ULO met als gevolg dat hij nog steeds anno 2013 Nederlands kan lezen. In Soest wachtten ze op de terugkomst van tante Martha Bernstein-Heumann, die het kamp Theresienstadt had overleefd. Zij was op 5 juni 1944 gearresteerd op haar onderduikadres in Amersfoort. Samen met haar man Henry, hun zoon Rolf en de onderwijzer Benjamin Blankenstein, die hen had verborgen, werden ze afgevoerd naar het concentratiekamp Auschwitz en Bergen-Belzen. Henry en Rolf stierven in Auschwitz en hun helper, Benjamin Blankenstein, bezweek op 24 februari 1945 in Bergen-Belzen aan uitputting en dysenterie. Gert en zijn moeder emigreren op 13 mei 1947 samen met Gaby en zijn tante Martha Bernstein- Heumann, naar Amerika.

Mijn oom Ernst, vertelt Gert, bracht ons naar Amerika en zorgde voor een ingericht huis en een baan voor mij en mijn moeder. Mijn moeder ging werken in een ziekenhuis op de linnenafdeling en ik krijg een baantje als monteur van elektrische motoren. Met een onderbreking van één jaar in verband met mijn dienstijd in het Amerikaanse leger, hield ik me bezig met het repareren van elektrische motoren en later wasmachines. In 1955 begon ik een eigen bedrijf en breidde dit bedrijf uit met uiteindelijk zo’n elf werknemers. In dat zelfde jaar trouwde ik. Na vijfendertig jaar huwelijk overleed plotseling mijn eerst vrouw. In 1991 hertrouwde ik met mijn huidige lieve vrouw, die overigens ook alle e-mails voor me schrijft, als ik haar die dicteer. Uit het eerste huwelijk heb ik een zoon,Wesley, en een dochter, Fern, die nu hun eigen gezin hebben.

 Rechtvaardige onder de Volkeren

In 2001 ging ik met pensioen en sindsdien probeer ik de familie Bloem (postuum) de Yad Vashem te geven. Vad Yashem betekent „Rechtvaardige onder de Volkeren. Vad Yashem is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en de redders van Joden. In 2014 lukte de inschrijving op verzoek van mij. Laat naast de Yad Vashem ook dit document een blijk van waardering zijn voor de respectabele familie Bloem.

Gert vertelt dat hij in tranen is geroerd om te ervaren hoe, zoveel jaar na de Holocaust, er in de gemeente Cranendonck, nog aandacht is voor de tragische oorlogservaring van de familie Eichenwald. Gert vertelt dat hij maar liefst achttien familieleden heeft verloren in de Holocaust. Het diepst heeft hem het verlies van zijn vader op jonge leeftijd geraakt. Elke week ga ik nog naar de synagoge om een ‘Kaddish’, het gebed voor de overledenen, te bidden voor mijn familie die in de Holocaust om het leven kwam.

Mijn moeder, vertelt Gert, is overleden op 28 september 1994. Ik onderhoud nog goede contacten in Nederland met de dochter van Ben Blankenstein. De dochter van de familie Blankenstein die mijn neef Rolf en mijn oom Henry en tante Maddie verborgen hielden. Zij werden verraden door de buurvrouw en daarna opgepakt door de SS. Allen kwamen zoals eerder beschreven om het leven. De familie Blankenstein waren zelfs op het huwelijk van mijn zoon Wesley in 2003.

Struikelstenen

Op 27 augustus 2009, vertelt Gert, was ik nog aanwezig bij de onthulling van drie stolpersteine (struikelstenen). Op het trottoir voor het huis, waar de familie Eichenwald eens woonde werd in de Hauptstraße 46 te Benrath (Düsseldorf) drie Stolpersteine (struikelstenen) geplaatst ter ere van  mijn vader Walter Eichenwald (1900-1943), mijn oom Paul Blumenfeld (1902-1943) en mijn tante Helene Heumann-Blumenfeld (1904-1944). Ik woon nu in Boynton Beach, Florida USA. Bij me in de buurt woont overigens ook nog Gaby Blumenfeld waarmee ik samen zat ondergedoken in Soerendonk. Net als ik en dankzij de familie Bloem kunnen we van een mooie ouwe dag genieten.foto 8 Struikelstenen

 Auteurs:

 

René Vos                    Informatie over Cranendonck

Foppe de Lang            Informatie over Nuenen

 


Bronnen :

 –          Stamboom onderzoek familie Bloem, mw. Sjaan Bloem Maarheeze

–          Genealogie van de fam. Bloem- van de Koolwijk door Foppe de Lang

–          Boek Gebroken Vleugels door René Vos

–          AA kroniek uitgave 2011 nr. 3.

–          Interview mw. Greet Albers-Dings, Maarheeze

–          Interview mw. Lies van Gansewinkel-Bloem, Maarheeze

–          Wikipedia / De Holocaust

–          Persoonlijke memoires en documentatie dhr. Gert Eichenwald